rvbb20181012_3868_one.jpg

Ervaringen delen

Oudere posts zoals die op http://varenopdeveronica.blogspot.com/ stonden

Op de rivier

In de opvaart op de Maas

Varen op een rivier is niet te vergelijken met het varen op een kanaal of op open water zoals het Hollands Diep, Zeeland of het IJsselmeer. 

Een rivier is vaak erg mooi, bij het juiste licht zelfs schilderachtig, maar laat je niet in slaap wiegen, ze kan verraderlijk zijn en je zult altijd wakker moeten blijven.


Het lijkt zo simpel. We kennen allemaal rivieren, in Nederland de drukke en machtige Waal, de Lek, de Gelderse IJssel en nog veel meer. Allemaal een heel eigen karakter, maar er is één eigenschap die ze allemaal delen:

Een rivier stroomt.

Eigenlijk valt het water van boven naar beneden. Letterlijk. Denk aan een waterval die van een berg af komt denderen, dat is een rivier in optima forma.

Zo is het hoogteverschil op de Rijn tussen Basel en Bonn 184 meter.
Als je de rivier opvaart van Bonn naar Basel moet je je schip dus in relatief korte tijd 184 meter omhoog tillen! Daar zitten overigens wel wat sluizen tussen die dat hoogteverschil gedeeltelijk helpen overbruggen.

Door dat hoogteverschil ontstaat er stroming, het water stroomt van boven naar beneden. Voor de scheepvaart is dat stromen zo belangrijk dat de terminologie er helemaal mee is verweven. 

Ik ga de Rijn en dus ook de Waal verder als voorbeeld gebruiken, dat is immers de ultieme rivier in ons deel van West-Europa, maar de zaken die hier besproken worden gelden op alle rivieren.

Opvaart

Wanneer je stroomopwaarts vaart ga je letterlijk 'naar boven'. Een voorbeeld: Bazel ligt ten zuiden van Keulen. Maar stroomtechnisch gezien ligt Bazel hoger de rivier op. Voor een varensman ligt Bazel dus boven Keulen. En zo kun je ‘boven’ of ‘beneden’ een bepaalde lokatie varen.
We zeggen dan ook 'in de opvaart' als je stroomopwaarts vaart, je vaart immers de rivier op. Schippers zeggen via de marifoon vaak 'kom goed boven' wanneer ze met een collega praten die in de opvaart is. Sommige schippers spreken ook wel van ‘bergvaart’ of ‘te berg’, een germanisme.

Een schip in de opvaart heeft dus stroom tegen.

Om niet achteruit te varen zal het schip minimaal de stroomsnelheid moeten evenaren. Stel dat de rivier 6 km/u stroomt dan komt het water met 6 km/u naar beneden. Als dat opvarende schip zelf 6 km/u door het water loopt zal het ten opzichte van de oever stil staan.
Om snelheid te maken ten opzichte van de oever zal het dus nog meer dan 6 km/u door het water moeten lopen. Wanneer het schip bijvoorbeeld 10 km/u door het water loopt komt het in dit voorbeeld effectief 4 km/u vooruit. Op de rivier heb je meer motorvermogen nodig dan op stilstaand water, je moet vaart kunnen maken.

Afvaart

Een schip dat van boven naar beneden vaart gaat 'naar beneden', we zeggen dan dat het 'in de afvaart' is, of de weer uit het Duits afkomstige term 'daalvaart' of ‘te daal’. Het schip heeft de stroom mee.

Het afvarende schip vaart ten opzichte van de wal minstens even hard als dat het water stroomt, het wordt immers door het stromende water meegenomen. Om bestuurbaar te blijven zal het afvarende schip nog wat harder willen varen dan de stroomsnelheid, een schip moet niet drijven maar varen. Gebruiken we even het voorbeeld van hierboven, dan zal een afvarend schip dat zelf 10 km/u ten opzichte van het water vaart met een stroomsnelheid van 6 km/u met 16 km/u effectief vooruit komen ten opzichte van de wal.

Het verschil in snelheid tussen gelijkwaardige schepen in de opvaart en in de afvaart is dus aanzienlijk.

 

Varen in de opvaart

Opvarend heeft een schip met twee krachten te maken: Het moet tegen de kracht van het stromende water in snelheid maken + een hoogteverschil overwinnen, het eigen gewicht omhoog tillen als het ware.

Zo'n opvarend schip lijkt vanaf de wal langzaam voorbij te varen maar is in werkelijkheid bezig met een enorme krachttoer. De motor zal vrijwel op volle kracht draaien, zeker wanneer het schip geladen is en het dus ook nog eens een keer de massa van de lading omhoog moet tillen.

Diepgang

Een geladen schip steekt voor het grootste deel onderwater (zie het blog Afstand). De eigenaar van het schip en de ontvanger van de lading willen graag zoveel mogelijk lading in een keer meenemen en men zal daarom proberen het schip zo diep mogelijk te laden.

Maar hoe diep is 'zo diep mogelijk'?
Dat is een hele wetenschap. De hoeveelheid water in een rivier varieert vrijwel constant en daarmee varieert de afstand tussen de rivierbodem en het wateroppervlak.
We noemen dat de waterstand.

Om het nog wat moeilijk te maken is een rivier ook niet overal even diep, er zijn diepe en ondiepe riviergedeelten.
En in de buitenbocht is het ook nog eens dieper dan in de binnenbocht. Het is dus niet zo makkelijk om te zeggen ‘hoe diep’ het zal zijn op een bepaald rivier gedeelte.

De geladen binnenvaartschepen op de rivier zullen zo diep mogelijk liggen en daarom moeten ze in het diepste stuk van de rivier varen, dan kan een verschil van enkele tientallen meters uit de oever al veel uitmaken. Een schip op een ogenschijnlijk grote rivier heeft vaak maar heel weinig plaats waar het echt kan varen.

Stroming

Een opvarend schip heeft niet alleen te maken met de kracht van het water maar ook met de richting van de stroming. Waar wordt het schip naar toe geduwd?
Door de lengte van het schip kan het zelfs zo zijn dat het voorschip op een andere manier door de stroming beïnvloed wordt dan het achterschip. Met name de veel voorkomende dwarsstromen waar je bijvoorbeeld bij ondieptes, eilanden of rivierarmen mee te maken kunt krijgen moet je van tevoren zien aankomen en opvangen.

Stoppen

Door vaart te minderen, of zelfs de snelheid zo ver te laten afnemen dat de snelheid door het water gelijk is aan de stroomsnelheid, kan het opvarende schip 'stoppen', het schip ligt dan stil t.o.v. de wal.

Let wel, de motor draait dan nog steeds redelijk hard want de stroomsnelheid moet nog steeds overwonnen worden, maar de snelheid ten opzichte van de wal (Speed Over the Ground of SOG) is 0. Nog langzamer varen kan niet, dan zou het schip achteruit gaan en al snel onbestuurbaar worden. Op een rivier kun je een schip niet laten drijven.

Binnen en buitenbocht

Een rivier stroomt nooit recht naar beneden maar meandert, er ontstaan bochten. Zonder die bochten zou de rivier nog veel harder stromen.

We kennen op de rivier binnenbochten, die we ook wel de ‘oort’ noemen en buitenbochten die we ook wel de ‘hang’ noemen.

Een opvarend schip zal er belang bij hebben om zo min mogelijk stroom tegen te hebben.
Sommige schepen kiezen er daarom voor om opvarend de binnenbocht te nemen. Ze steken dan over naar de andere kant van het vaarwater en gaan zo dicht mogelijk onder de binnenbocht varen, om zo min mogelijk last te hebben van de stroom. De rivier zal het snelle rivierwater immers voor een deel naar de buitenbocht duwen.
Zodra de binnenbocht bereikt is valt het stroomvoordeel weg en komt het schip langzaamaan in de volgende buitenbocht terecht. Daarom zal het schip zo snel mogelijk weer de eigen oever willen opzoeken en zal het dus het water nogmaals oversteken.

In de opvaart bij Krefeld. We varen met blauw bord bijgezet door de binnenbocht aan de rechter over. Nog dichter bij de oever varen gaat niet in verband met onze diepgang

Met stroom mee (afvarend) heet de oever aan de rechter kant van een rivier de rechter oever en is de oever aan de linker kant van een rivier de linker oever.
Dit zijn vaste begrippen, de rechter en linker oever zijn altijd aan de zelfde kant van de rivier en zullen niet van naam veranderen als men opvarend of afvarend is. Deze begrippen rechter en linker oever zijn erg belangrijk in de riviervaart en worden heel veel gebruikt. De rode tonnen (indien aanwezig) liggen altijd aan de rechter oever, de groene altijd aan de linker oever. Een ezelsbruggetje om dat te onthouden is dan ook ‘rood rechts naar zee’. Datzelfde ezelsbruggetje kun je trouwens op ander water toepassen, de ‘rode’ kant is altijd ‘rechts’ als je richting zee of groter water vaart.

Een rechter oever is dus niet hetzelfde als een stuurboord oever. Stuurboord en bakboord gelden altijd alleen maar ten opzichte van het eigen schip, het zijn geen ‘andere woorden’ voor rechts en links. Afvarend ligt de rechter oever aan stuurboord van het schip, opvarend ligt die rechter over aan bakboord van het schip.

Wanneer een opvarend schip de rivier oversteekt gaat het aan de rechter oever varen. Zodra het de eigen stuurboord kant van de rivier weer opzoekt gaat het terug naar de linker oever.

Een collega, de Syndicus, waarmee we samen leeg de rivier op varen richting Worms om daar te gaan laden. Hier varen we in de Maingau en nemen we een binnenbocht vlak bij de tonnen. We hebben het blauwe bord bij staan omdat we de afvarende schepen aan onze stuurboord kant de ruimte geven om ons te passeren.

Blauw Bord

Wanneer een opvarend groot schip zo ver mogelijk aan de rechter oever wil gaan varen is het niet handig om de afvarende schepen dan nog steeds aan bakboord te ontmoeten, daar is immers geen plek meer. Om aan de afvarende schepen duidelijk te maken dat deze het opvarende schip beter aan haar stuurboordzijde kunnen ontmoeten zal het grote schip een blauw bord en een knipperlicht laten zien. De afvarende schepen wordt daarmee dus niet gevraagd om aan de andere oever te gaan varen, dat heeft er niets mee te maken. Er wordt enkel verteld dat het opvarende schip aan stuurboord voldoende ruimte laat om de afvaart te laten passeren. Er wordt gevraagd om het opvarende schip ‘stuurboord op stuurboord’ te ontmoeten. Zonder een blauw bord laat de opvaart aan haar bakboord zijde voldoende ruimte voor de afvaart om te passeren.

In zo’n situatie neemt de opvaart het initiatief voor een blauw bord, de afvaart reageert daarop.

Het blauwe bord is op de rivier in principe bedoeld als teken voor grote schepen onderling. Toch is het geen vrijblijvend signaal, ook van een afvarend klein schip wordt verwacht dat het in dat geval stuurboord op stuurboord ontmoet. Zie ook het blog Afvarend op de rivieren.

Veel schepen kiezen ervoor om opvarend toch de buitenbocht aan te houden. Deze schepen willen graag zo veel mogelijk water onder het schip hebben en lopen sneller in de diepe buitenbocht.

Oplopen

Elkaar inhalen (oplopen) is ook op een rivier voor grote schepen niet eenvoudig.

Doordat beide schepen vele tonnen water verplaatsen zal het inhalende schip tijdens het oplopen een aanzienlijke watermassa moeten wegdrukken. Zodra de twee schepen ongeveer op gelijke hoogte varen houd de waterverplaatsing het oplopende schip vast. Het oplopende schip zal zonder aanvullend ingrijpen niet langs het opgelopen schip kunnen komen.

Het opgelopen schip zal dan ook vaart moeten verminderen. Het snelheidsverschil tussen de twee schepen zal daardoor toenemen waardoor het oplopende schip de zuiging kan overwinnen. Dat kan lang duren, een oploop actie kan zo maar een kwartier of meer in beslag nemen.

Wanneer twee schepen dicht bij elkaar varen zal de zuiging sterker zijn dan wanneer ze verder van elkaar af varen. Het oplopende schip zal daarom indien mogelijk zo ver mogelijk van het andere schip gaan varen, mogelijk zelfs de andere oever kiezen. Als er afvaart aankomt kan het zijn dat dit oplopende schip dan het blauw bord bij zet.

Door de onderlinge afstand speelt de waterverplaatsing in dat geval een veel kleinere rol en zal in het ideale geval het opgelopen schip niet eens hoeven af te stoppen.

Het kan dus voorkomen dat ook zonder binnen / buitenbocht een opvarend schip de rechter oever kiest en een blauw bord laat zien.
Ook wanneer een opvarend schip naar de rechteroever gaat varen teneinde een haven of nevenvaarwater in te varen kan het een blauw bord laten zien om aan te geven dat het aan de bakboordzijde ruimte laat voor de afvaart.


Varen in de afvaart

In de afvaart (van boven naar beneden) verandert alles.

De stroming sleurt het schip mee en bepaalt de minimum snelheid ten opzichte van de wal. Om bestuurbaar te blijven zal het schip zelf ook nog eens snelheid (gang) door het water moeten maken.

Op die manier worden vanzelf grote snelheden behaald en daar is niets aan te doen, zelfs als de schipper dat zou willen. Een afvarend schip zet door.

Stoppen

Een schip heeft geen rem, het kan niet ineens stoppen, het kan enkel snelheid verminderen totdat het min of meer stil ligt.

Een afvarend schip stil leggen is vaak niet mogelijk, de stroomsnelheid is daarvoor te groot. Door de stroming komt het ten opzichte van de wal nooit helemaal stil te liggen. Het afvarende schip zou effectief achteruit moeten varen om ten opzichte van de wal echt helemaal tot stilstand te komen en dat is op stromend water vaak niet mogelijk zonder voorbereiding. Wanneer een afvarend schip in geval van nood moet stoppen kan het meestal maar een ding doen: keren (opdraaien).

Opdraaien kan alleen als er voldoende ruimte is. Sommige schepen zijn zo groot dat er niet genoeg ruimte is om op te draaien. Die schepen hebben speciale achter ankers waarmee ze in geval van nood tot stilstand kunnen komen, maar dat zijn uitzonderingen.

De hoofdregel is: een afvarend schip kan niet stoppen.
Dat is een van de essentiele verschillen tussen het varen op stil water en het varen op een rivier: heel veel schepen op een rivier kunnen niet stoppen.

Buitenbocht

Door de snelheid zal een afvarend schip richting buitenbocht worden geduwd (middelpuntvliedende kracht), het hele schip wordt zijdelings weggezet.

Wanneer het schip in de buitenbocht te ver naar de oever wordt gedrukt kan dat enkel worden opgelost door van de oever weg te sturen. Maar dat wegsturen kan enkel gebeuren door de kop van het schip van de oever weg te sturen en dus het achterschip nog dichter naar de oever te laten komen, we sturen immers met het achterschip (een boegschroef heeft bij deze snelheden geen enkel effect). Maar als je al te dicht bij de oever vaart is er geen ruimte om het achterschip nóg dichter naar de oever te laten komen.

Het netto resultaat is in dat geval dat het schip alleen maar steeds verder de buitenbocht wordt ingeduwd en daar is dan niets meer aan te doen. De enige oplossing is voorkomen dat je (te) ver in de buitenbocht terecht komt.

Daarom zal een afvarend schip zoveel mogelijk het midden van het vaarwater aanhouden en de echte buitenbocht proberen te vermijden. In het algemeen kun je stellen dat opvarende schepen dicht bij de beide oevers zullen varen terwijl de afvaart het midden aanhoud.

Varen in de afvaart is veel moeilijker dan varen in de opvaart. Afvarende schepen hebben vaak voorrang, bijvoorbeeld bij een engte. Het is een goede gewoonte om afvarende schepen alle ruimte te geven. De opvaart kan immers veel makkelijk langzamer gaan varen of zelfs tijdelijk tot stilstand komen.

We zijn met geladen schip afvarend in het Gebergte (bij de Lorelei). We moeten zo meteen een scherpe draai naar stuurboord maken, zijn daar effectief zelfs al mee bezig. Wanneer we de draaiing te laat inzetten komen we in het vaarwater van…

We zijn met geladen schip afvarend in het gebergte (bij de Lorelei). We moeten een scherpe draai naar stuurboord maken, zijn daar effectief zelfs al mee bezig maar we moeten daar voorzichtig mee zijn, aan onze stuurboord kant is het ondiep. De rode ton die wij aan stuurboord moeten laten ligt vlak bij het afvarende schip voor ons. De stroming duwt ons in de richting van het opvarende passagiersschip. We varen hier ongeveer 25 km/u


Terminologie

Door al dat speciale vaargedrag dat de rivier ons opdringt zijn er een aantal hele specifieke termen ontstaan die tijdens marifoon communicatie (en bv aan boord en in de wet- en regelgeving en scheepvaartberichten) veel gebruikt worden.
Helaas gebruikt de binnenvaart vrij veel verschillende termen voor dezelfde dingen, het is immers een internationale gemeenschap waar veel woorden en begrippen gedeeld worden. Daarbij is taal een levend iets en sommige gebruikte uitdrukkingen veranderen in de loop der tijd. Ik noem in dit blog de meest gebruikte namen maar er bestaan soms ook andere wat oudere synoniemen voor.


  • Een schip dat richting de bron van een rivier vaart is ‘opvarend’. We zeggen ook wel ‘in de opvaart’, ‘te berg’, ‘in de bergvaart’.
    We varen dan tegen de stroom in.

  • Een schip dat in de richting van de monding van een rivier vaart is ‘afvarend’ We zeggen ook wel ‘in de afvaart’, ‘te dal’, ’in de daalvaart’
    We varen dan met de stroom mee.

    NB: soms hebben we met eb- en vloedstroming te maken, zelfs op een rivier. Dan kan het voorkomen dat we wel in de afvaart zijn (we varen immers in de richting van de monding van de rivier) maar tegelijkertijd stroom tegen hebben etc. De termen ‘opvarend’ en ‘afvarend’ hebben met de richting van de rivier te maken, varen we richting de bron of richting de monding. We zijn dus niet ‘afvarend’ omdat we de stroom mee hebben etc.
    Wanneer we in getijdegebieden willen aangeven dat we voor- of tegen stroom varen zeggen we gewoon ‘stroom mee / voor stroom’ of ‘stroom tegen / tegen stroom’.

  • Wanneer een schip in de opvaart is en gaat keren (in de afvaart wil gaan) zal het 'Kop voor nemen'.

  • Een afvarend schip dat keert en stroomopwaarts gaat is aan het 'Opdraaien'.

  • Een afvarend schip dat zonder keren direct een haven of zijkanaal in wil varen zal 'Kop voor' die haven ingaan.
    Het zal dan zoveel mogelijk vaart terugnemen en de draai zó plannen dat het schip al afvarend de bewuste haven indraait. Dit vereist veel vakmanschap en plaatselijke kennis.
    Is er niet genoeg plek of durft de schipper het niet aan dan zal een afvarend schip in zo’n geval eerst moeten opdraaien en zal het schip dus eigenlijk aansluitend opvarend de haven invaren. Dit is bijna altijd veiliger maar zal veel meer tijd in beslag nemen, het schip moet immers weer tegen de stroom in terug naar de haven varen.

  • Een schip kan ook besluiten om achteruit varend een haven in of uit te varen. Soms zegt men dan dat schip 'Over stuur' de haven invaart (‘stuurwerk’ eerst).


Keren

Een schip dat op de rivier keert zal door de stroom naar beneden toe worden meegenomen op het moment dat het tijdens de draai dwars in de rivier komt te liggen. Het zal dwars liggend stroomafwaarts drijven. Zodra een groot schip met de draai is begonnen kan er dan ook niet meer mee gestopt worden, daar is geen ruimte voor.
Voor dat een schip gaat keren en dus effectief de rivier even gaat blokkeren, zal het de andere vaarweggebruikers via de marifoon waarschuwen.

De schipper zal daarbij proberen om met de andere vaart rekening te houden, maar dat is niet altijd mogelijk. Zeker bij het opdraaien is er vaak maar één moment dat het echt kan gebeuren, anders is het schip door de snelheid al weer veel te ver de rivier afgezakt.

Het kan daarom voorkomen dat de afvaart ook op een drukke rivier opdraait. De andere schepen worden in dat geval verondersteld om indien nodig vaart te minderen, wat opvarend immers niet zo heel veel moeite kost. Een en ander zal ruim van te voren via de marifoon worden aangekondigd.


Kribbetjes varen

Sommige schepen varen opvarend zó langzaam dat ze proberen om 'kribbetjes te varen'. Tussen de rivier kribben staat vaak een opwaartse retour stroom die kan helpen om het schip omhoog te duwen.

Vroeger werd er echt tussen de kribben in gevaren maar dat is met de huidige snelheden en afmetingen voor grote schepen niet meer goed mogelijk.

Toch kan er door heel precies dicht bij de kribben te varen veel snelheid gewonnen worden. Een schip dat normaal nog maar 3 km/u vaart kan per krib al snel een duwtje in de rug krijgen waardoor de gemiddelde snelheid kan verdubbelen. Dat zijn belangrijke verschillen.

We varen kribbetjes boven Duisburg-Ruhrort. We proberen zo dicht mogelijk bij de kribben te varen. Vooral net beneden de bovenstroomse krib heb je het meeste stroomvoordeel, als je goed kijkt kun je het zelfs aan het water zien. Het opvarende schip voor ons vaart veel verder uit de oever

Het gevaar is dat de krib ook onder water nog verder doorloopt maar dat kun je niet zien. Hoe ver kun je bijvaren?
Kribben varen levert een langzaam schip veel snelheid op maar is niet zonder risico. Je moet ook rekening houden met schepen die je oplopen en je opzij kunnen zetten én water weghalen onder je schip.



Rijnpatent

Om de Rijn te mogen bevaren moet een schipper van een groot schip een Groot Rijnpatent hebben. Je kunt enkel examen doen voor je Groot Rijnpatent als je al een Groot Vaarbewijs hebt.

De kandidaat schipper moet examen doen per Rijn gedeelte, vanaf de Duitse grens richting Zwitserland, de zogenaamde Strecken Kenntnisse. Je moet iedere ondiepte, oeverplaats, ton en noem maar op uit het hoofd kennen. Het is een beetje te vergelijken met 'The Knowledge' die de Londense taxichauffeur moet kennen.
Je kunt je Rijnpatent per riviergedeelte (Strecke) halen, als je bijvoorbeeld enkel naar Ruhrort wilt mogen varen dan is een Rijnpatent (Kenntnisse) tot Ruhrort voldoende, altijd vanuit Nederland gerekend. Je mag dan echter geen ander gedeelte van de Rijn bevaren. Veel binnenschippers hebben een patent tot Mannheim. Tussen Mannheim en de eerste sluizen is de rivier heel lastig te bevaren en wordt er heel vaak een loods aan boord genomen, zeker wanneer een schipper er niet zo heel vaak komt. Anderen hebben een patent voor de hele rivier, tot aan suis Birsfelden bij Bazel.

Voor het varen op de Nederlandse delen van de Rijn zoals de Waal, Nederrijn, Lek etc. (daar waar het Rijnvaart Politiereglement geldig is) hoef je geen Rijnpatent te hebben.


Hoog Water

Door regenval of smeltend water kan het waterpeil in korte tijd heel snel stijgen. We noemen zo’n periode ‘hoog water’. Er moet ineens heel veel water door de rivier naar zee worden meegenomen dus de stroomsnelheid neemt toe. Het kan zelfs zo hard stromen dat het niet meer mogelijk is om opvarend bepaalde delen van de rivier te passeren. Kribben en vaste bakens kunnen onzichtbaar worden, oevers kunnen onder water komen te staan en onherkenbaar veranderen. Bij extreem hoog water kan scheepvaart beperkt of zelfs verboden wordt.

Onthoud dat hoog water altijd wil zeggen dat het water (veel) harder stroomt. Bij hoog water is een rivier moeilijker of helemaal niet te bevaren.

Brugopeningen

Veel brugopeningen zijn smaller dan de rivier die door de brug wordt overspannen. Vooral oudere bruggen hebben vaak meerdere smalle openingen. Doordat het water daar ineens minder ruimte heeft zal de stroming in een brugopening of bruggat toenemen. Het stroomt daar harder, soms veel harder.
Daarom moet je een brugopening altijd goed ‘open varen’, er al ruim vantevoren goed recht voor gaan varen.
Vooral afvarend is open varen erg belangrijk. Je hebt vaak geen tijd om nog te manouvreren.

Opvarend zul je in een brugopening ineens minder snelheid hebben en wordt je vaak in de richting van een van de brugpeilers geduwd. Vaar daarom goed in het midden van een smalle opening en probeer zuiging te verminderen door wat langzamer te gaan varen, als dat kan.



‘doorzetten’

Zodra je afvarend opzij stuurt wordt je hele schip door de stroom stroomafwaarts geduwd. Datzelfde gebeurt als je gewoon rechtuit vaart maar dan merk je het niet, zodra je opzij stuurt merk je dat wél. Opvarend gebeurt overigens hetzelfde maar dat merk je veel minder.
Dat ‘doorzetten’ van je schip in de stroomrichting kan zo sterk zijn dat je in de richting van brugpeilers of andere obstakels wordt geduwd. Dat kun je weer enkel opvangen door van de peiler af te sturen, dus je achterschip even richting peiler te sturen. Niet erg prettig en dat kan fout aflopen. Dus afvarend niet in de buurt van obstakels en objecten komen, voor je er erg in heb kom je niet meer weg.

Ook bij ‘gewoon’ aanleggen heb je van dat doorzetten last. Daarom is het een goede gewoonte om met afvarend schip voor het aanleggen eerst op te draaien, zodat je tegen de stroom in naar je aanlegplek kunt varen.

Voorspan

Op sommige stukken van de Rijn kan het zó hard stromen dat een geladen schip met vol motorvermogen niet meer tegen de stroom kan opkomen. Het staat dan effectief stil t.o.v. de oever hoewel de motor er vol op staat. Dit kan met name in het ‘gebergte', het rivier gedeelte tussen Bingen en st.Goar voorkomen.
Daarom zijn er op die plaatsen speciale sleepboten gestationeerd die het schip tegen betaling een extra trekje kunnen geven. Ook komt het wel voor dat een ander schip helpt trekken.

Pleziervaart op de Rijn

Je kunt je afvragen of je als pleziervaarder wel op de Rijn wilt varen. Het is een gebied met heel eigen regels en gewoonten waar je al snel als een buitenstaander wordt beschouwd. Je krijgt geen millimeter extra ruimte want die is er simpelweg niet. Ook is een Nederlands klein vaarbewijs niet altijd voldoende, voor schepen langer dan 20 meter heb je in Duitsland een Rijnsportpatent nodig.


Andere rivieren

Ik gebruik de Rijn als voorbeeld, maar los van wat speciale wettelijke regels en de Rijn certificering zijn de basis principes voor alle rivieren hetzelfde, zeker in Nederland. Afvarende grote schepen zullen het midden van de rivier aanhouden, afvaart kan niet stoppen, opvaart zoekt stroomvoordeel waar mogelijk en zal waar nodig een blauw bord laten zien.

Tot slot

Varen op een rivier is erg mooi en kan heel leuk zijn. Maar het is niet eenvoudig. Opvarende en afvarende schepen bewegen zich heel verschillend door het water en varen op hele andere plekken. Dat soort varen zul je moeten leren, het is heel anders dan het varen op stilstaand water.

Varen in de opvaart is wat makkelijker dan varen in de afvaart.
In de afvaart gaat het lekker snel maar stoppen, aanleggen of een haven of zijrivier invaren is niet eenvoudig. Zeker in het begin kun je afvarend het beste eerst opdraaien als je zoiets wilt gaan doen, kop voor ergens naar binnen varen of aanleggen is in het begin geen goed idee.

Oefen vooral veel, zowel opvarend als afvarend. Zet de schroef eens uit zijn werk (‘neutraal’) tijdens de vaart, als er weinig scheepvaart verkeer is. Kijk wat er gebeurt met je schip. Ga een paar keer rond (keren). Neem daar wel veel ruimte voor, ook achter je schip, het gaat misschien anders dan dat je gewend bent.

Kijk goed om je heen, wat doen andere schepen, waarom doen ze dat? Pas op voor afvaart, die komt echt heel snel dichterbij. Als je een afvarend schip duidelijk ziet kun je er al niet meer voor langs over steken. Steek de rivier altijd haaks over, niet ‘in de richting van je bestemming’. Dat moet je trouwens altijd doen, maar op een rivier is het nog veel belangrijker.

Afvarend mag je best in het midden varen, of ‘wat meer naar het midden’. Op die manier kun je veel beter reageren op opvarende schepen die een blauw bord laten zien. Dan kun je inderdaad stuurboord op stuurboord passeren, zoals gevraagd wordt. Maar kijk altijd goed en veel achterom. Ook dat moet je op ‘gewoon’ vaarwater doen maar ook dat is hier nog veel belangrijker. Op een rivier is nauwelijks ruimte voor vergissingen, de natuur is hier erg sterk.

Op alle vaarwaters waar binnenvaartschepen varen is het veel veiliger voor iedereen wanneer je zelf ook een marifoon hebt en die gebruikt. Zie ook het blog Marifoon bij ons aan boord. Je kunt gewoon praten met al die schepen om je heen.

Op het water is een verrekijker belangrijk, op een rivier kun je niet zonder. Je moet bijvoorbeeld al op grote afstand kunnen zien of een ander een blauw bord bij heeft staan.

Op een rivier moet je veel verder kijken dan dat je op stil water gewend bent. Zeker wanneer je in de afvaart bent. Enkel een beetje je eigen wal houden is zeker niet voldoende, er wordt meer van je gevraagd.
Op grote afstand lijkt het vaak dat er niet voldoende ruimte is om tussen schepen door te varen. Wanneer je dichterbij komt zul je zien dat die ruimte er wel is. Opvaart is wettelijk verplicht om aan de afvaart voldoende ruimte te laten om veilig te kunnen passeren. Via het blauwe bord wordt aangegeven aan welke kant die vrije ruimte wordt gegeven. Gebruik die ruimte dan ook, dat blauwe bord wordt niet voor niks getoond. De opvaart hoeft niet aan alle kanten voldoende ruimte te laten! Zie vooral ook het blog Afvarend op de rivieren.

Mocht je eens een keer naar Duitsland willen, vooral doen, het kan er schitterend mooi zijn. Maar oefen eerst op de Waal. Als daar alles bekend is en je er met vertrouwen vaart dan kun je met een gerust hard verder de Rijn op.

De ‘andere’ Nederlandse rivieren zijn over het algemeen wat rustiger dan de Waal. Let er wel even goed op waar het BPR geldig is en waar het RPR van toepassing is. Met name voor kleine schepen verschillen die twee reglementen nogal. De Lek, waar veel pleziervaart vaart, is RPR gebied, met hele andere regels dan bv het Amsterdam Rijnkanaal of de Nieuwe Maas.
De Maas (niet te verwarren met de Nieuwe Maas en de Oude Maas) is een redelijk rustige rivier, veel mensen realiseren zich niet eens dat ze op een rivier varen. Maar ook daar gelden speciale regels, zie het BPR Artikel 6.05. En met hoog water wil je daar niet zijn.
De Gelderse IJssel is daarentegen een echte rivier, zeker op het ‘eerste’ gedeelte vanaf de IJsselkop. Grote schepen hebben alle ruimte nodig, opvarende schepen gebruiken hun blauwe bord. Er is weinig of geen ruimte voor de afvaart om niet aan dat verzoek tot stuurboord op stuurboord passeren gehoor te geven. Vaar nooit te dicht langs schepen, objecten of oevers zoals de IJsselkop, neem zeker 100 meter ruimte of meer.

Steek nooit voor een groot schip een rivier over, ga altijd achter langs. Ook dat moet je gewoon op alle vaarwaters doen maar op een rivier is het nog veel belangrijker. En steek altijd haaks het vaarwater over, nooit ‘richting je bestemming’.

Veel plezier!

Opvarend op de Hollandse IJssel

Roeland14 Comments